Citaat | Hoge Raad 13 oktober 2006

Alinea 37 Hoge Raad 13 oktober 2006

Een alinea uit Hoge Raad 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8845.

3.4 Uit voornoemde overgangsbepaling van art. VII lid 1 volgt dat onmiddellijke werking van het nieuwe burgerlijk procesrecht het uitgangspunt is bij een na 1 januari 2002 aanhangig gemaakte zaak of instantie en dat eerbiedigende werking geldt voor de verdere behandeling van ten tijde van de inwerkingtreding nog lopende procedures. Met "verdere behandeling" wordt bedoeld dat in procedures die bij de rechtbank, het hof of de Hoge Raad aanhangig waren vóór 1 januari 2002 het oude procesrecht van toepassing blijft totdat de instantie is afgelopen met een eindvonnis of eindarrest. Uit de door de Hoge Raad gebezigde typering van het verwijzingsgeding van art. 424 Rv. als "onvoltooide appèlinstantie" (vgl. HR 10 augustus 1983, nr. 12131, NJ 1984, 182 en HR 21 oktober 1994, nr. 15481, NJ 1995, 398), vloeit voort dat de procedure na cassatie en verwijzing niet een zelfstandige, nieuwe instantie is, doch de voortzetting van de onvoltooide instantie die voorafging aan het cassatiegeding en valt onder het begrip "de verdere behandeling".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a5d71864079e54749187eaf900dfd238e19cfc871bf6d8cbbe9d9dcbf537ca0c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a5d71864079e54749187eaf900dfd238e19cfc871bf6d8cbbe9d9dcbf537ca0c, en de alinea staat in dat document op bytes 11112 tot 12170.