Citaat | Hoge Raad 31 oktober 2006

Alinea 65 Hoge Raad 31 oktober 2006

Een alinea uit Hoge Raad 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9180.

4.2. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Zoals de Hoge Raad in eerdere jurisprudentie heeft geoordeeld, kunnen verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet op de voet van art. 279, eerste lid, Sv, als zodanig optreedt, niet als wettige bewijsmiddelen gelden (vgl. HR 15 september 1980, NJ 1981, 13 en HR 8 januari 2002, NJ 2002, 340). Daarmee valt niet te verenigen dat een door de raadsman overgelegde pleitnota wel als zodanig zou kunnen gelden. Een dergelijke pleitnota kan dus niet worden aangemerkt als een wettig bewijsmiddel, meer in het bijzonder niet als een ander geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5°, Sv. Dat geldt ook ten aanzien van een pleitnota van een raadsman van een medeverdachte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd2a96c0dc023f85d65a20bc8f95aa5ec6da8ae60f7f82f47404ae5d7400d0fb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd2a96c0dc023f85d65a20bc8f95aa5ec6da8ae60f7f82f47404ae5d7400d0fb, en de alinea staat in dat document op bytes 25773 tot 26578.