Citaat | Hoge Raad 3 november 2006

Alinea 52 Hoge Raad 3 november 2006

Een alinea uit Hoge Raad 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9701.

Het hof heeft bij zijn oordeel kennelijk in aanmerking genomen dat, toen het onderhavige geschil rees, tussen partijen vaststond - en dus geen geschilpunt vormde - dat het in de beëindigingsovereenkomst vermelde bedrag niet in overeenstemming was met hetgeen het Deelakkoord daarover bepaalt. In 's hofs oordeel ligt voorts besloten dat het art. 9 aldus heeft uitgelegd dat de vraag of het de Bank vrijstond met afzonderlijke werknemers beëindigingsovereenkomsten aan te gaan waarin vergoedingen werden toegekend die afweken van de regeling in het Deelakkoord, niet onder de reikwijdte van art. 9 is begrepen. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden. Daar komt bij dat de Bank in hoger beroep geen grief gericht heeft tegen het door de kantonrechter, met verwijzing naar HR 1 december 2000, nr. 99/044, NJ 2001, 196, gegeven oordeel dat de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst niet werd verhinderd doordat beide partijen zijn uitgegaan van een onjuiste toepassing van het Deelakkoord. Tegen de achtergrond van dit een en ander is 's hofs oordeel dat tussen partijen slechts omtrent (de nakoming van) de beëindigingsovereenkomst en niet omtrent de toepassing van het Deelakkoord verschil van mening bestaat onjuist noch onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt daarom.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5e0534f9e060e2bc84e5041667d747d4b65420058cd234f1784abf0534c0b62b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5e0534f9e060e2bc84e5041667d747d4b65420058cd234f1784abf0534c0b62b, en de alinea staat in dat document op bytes 17451 tot 18742.