Citaat | Hoge Raad 10 november 2006
Alinea 46 Hoge Raad 10 november 2006
Een alinea uit Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0417.
3.4.4 Onderdeel IIb klaagt dat het hof niet zonder nadere motivering had mogen oordelen dat niet is komen vast te staan dat de vrouw bij de scheiding en deling van de gemeenschap is onderbedeeld. De vrouw verwijst daartoe naar de door haar in hoger beroep aangevoerde stellingen dat zij tijdens de scheiding niet is bijgestaan door een advocaat, dat de advocaat van de man haar ook niet heeft geadviseerd om een advocaat te raadplegen over het door hem aan haar voorgelegde convenant, dat zij eerst in 1996 (acht jaar te laat) de beschikking kreeg over de haar toekomende ƒ 200.000,--, dat aannemelijk is dat het gezamenlijke vermogen aanzienlijk groter was dan ƒ 400.000,--, en dat zij (zowel destijds als nu) geen enkel inzicht had en heeft in de financiële situatie van de man omdat hij daaromtrent nimmer enig inzicht heeft gegeven en zij bij gebreke van financiële gegevens haar stellingen niet nader kan adstrueren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecbd96c8e9360df82d3baabb1bf590ad0fc354de47b0d29c36cb0fd6e59e006a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecbd96c8e9360df82d3baabb1bf590ad0fc354de47b0d29c36cb0fd6e59e006a, en de alinea staat in dat document op bytes 16883 tot 17821.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ecbd96c8e9360df82d3baabb1bf590ad0fc354de47b0d29c36cb0fd6e59e006a | shasum -a 256