Citaat | Hoge Raad 10 november 2006

Alinea 56 Hoge Raad 10 november 2006

Een alinea uit Hoge Raad 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9216.

3.7 Bij de beantwoording van de vraag of een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het achterwege laten van een minimumjeugdloonregeling voor 13- en 14-jarigen, wordt vooropgesteld dat het, zoals hiervoor vermeld niet omstreden, legitieme doel van het gemaakte onderscheid is 13- en 14-jarigen te beschermen in die zin, dat moet worden voorkomen dat arbeid voor hen een uit financieel oogpunt aanlokkelijk alternatief vormt voor en ten koste gaat van school of andere (vormende) activiteiten. In onderdeel 1 van het cassatiemiddel legt de Staat het accent enigszins anders, maar voor de beantwoording van de vermelde vraag maakt dit geen wezenlijk verschil. Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 tot en met 3.4 vermelde gegevens, werd van oudsher en wordt in de wettelijke regelingen en in het overheidsbeleid ook thans nog dit verband tussen de toelaatbaarheid van arbeid door jeugdigen en het belang van scholing gelegd. Dit verband is ook gelegd toen in 1996 het eertijds in de Arbeidswet 1919 neergelegde verbod van kinderarbeid werd overgenomen in art. 3.2 van de Arbeidstijdenwet met een beperkte uitzondering, die is uitgewerkt in de Nadere regeling kinderarbeid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4b6da1bd4ee6a18f6d7270127850971f1bb6168978ec20796a951056d5942903. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4b6da1bd4ee6a18f6d7270127850971f1bb6168978ec20796a951056d5942903, en de alinea staat in dat document op bytes 19129 tot 20361.