Citaat | Hoge Raad 16 maart 2007

Alinea 56 Hoge Raad 16 maart 2007

Een alinea uit Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613.

3.5 De onderdelen treffen doel. Het hof heeft uit het oog verloren dat het door [eiser] te leveren tegenbewijs geslaagd mag worden geacht als op grond daarvan het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd. De hiervoor in 3.2 onder (b) en (c) weergegeven oordelen van het hof houden in dat duidelijke aanwijzingen bestaan dat de tekst van de (concept-)akte op het punt van het voorkeursrecht de tussen partijen gesloten overeenkomst niet juist weergeeft. Door vervolgens, in rov. 10, te overwegen dat in het licht van art. 3:35 BW het "zeer wel mogelijk" is dat tussen 26 september 1990 en 15 oktober 1990 een (nadere) overeenkomst tot stand is gekomen en dat het aan [eiser] is om te bewijzen dat ook tussen 26 september 1990 en 15 oktober 1990 "geen overeenkomst conform de akte tot stand is gekomen", heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof was immers klaarblijkelijk van oordeel dat het door [eiser] geleverde tegenbewijs in verband met de dwingende bewijskracht van de akte alleen dan voldoende was, indien het de juistheid van de daar opgenomen partijverklaring volledig weerlegde door (ook) te bewijzen dat in de door het hof bedoelde periode geen nadere overeenkomst als in de akte is neergelegd tot stand is gekomen. Dusdoende heeft het hof te hoge eisen gesteld aan het in dit verband door de ondertekenaar van de akte te leveren tegenbewijs. De verwijzing naar het bepaalde in art. 3:35 BW maakt dit niet anders.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d9efa457b88b52f0ba33b6366c90c18c80d3e23a2c4264233bcb552809e7265. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d9efa457b88b52f0ba33b6366c90c18c80d3e23a2c4264233bcb552809e7265, en de alinea staat in dat document op bytes 18042 tot 19508.