Citaat | Hoge Raad 4 mei 2007

Alinea 42 Hoge Raad 4 mei 2007

Een alinea uit Hoge Raad 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7621.

3.5 Klacht 2 betoogt dat het hof is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van de vrouw ten betoge dat de man feitelijk bij machte was uitkering van de winst conform art. 6 van de statuten van de Stichting te bewerkstelligen. Deze klacht faalt. Het hof heeft onder ogen gezien dat de man als certificaathouder aan het bestuur van de Stichting had kunnen verzoeken tot winstuitkering te beslissen en bij weigering van dat verzoek zich had kunnen wenden tot de rechter om alsnog uitbetaling van dividend af te dwingen, maar oordeelde dat aldus geen sprake is van overwegende zeggenschap als bedoeld in art. 1:141 lid 4. Tot een nadere motivering van dit, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende, oordeel was het hof, ook in het licht van art. 6 van de statuten van de Stichting en de in de klacht vermelde verdere stellingen van de vrouw, niet gehouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/75059eefe003a41975e3e4e317e5875fbe4724298c2c256117fb32b9d39e4924. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 75059eefe003a41975e3e4e317e5875fbe4724298c2c256117fb32b9d39e4924, en de alinea staat in dat document op bytes 12472 tot 13347.