Citaat | Hoge Raad 29 juni 2007
Alinea 90 Hoge Raad 29 juni 2007
Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7705.
5.2.2 Aan de onderdelen ligt ten grondslag de opvatting dat [eiser] c.s. als lid van de vereniging dienen te worden aangemerkt omdat zij op grond van een verklaring of gedraging van de vereniging of haar bestuur hebben aangenomen en mochten aannemen dat zij door het bestuur als lid zijn toegelaten. Hoewel voor toelating als lid een besluit van het bestuur vereist is, neemt dat, mede gezien het in artikel 3:35 BW - in verbinding met art. 3:59 - vervatte beginsel, inderdaad niet weg dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon die op grond van verklaringen of gedragingen van het daartoe bevoegde orgaan van een vereniging heeft aangenomen, en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen aannemen, dat een besluit is genomen hem als lid van de vereniging toe te laten, in dit vertrouwen bescherming verdient, in die zin dat hij op die grond als lid van de vereniging heeft te gelden. Mede gezien het bepaalde in art. 2:16 lid 2 BW moet geoordeeld worden dat de aard van de betrokken rechtshandeling van toelating als lid zich hiertegen niet verzet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abb9913da7609c25fcc6bd77b39fdc90767eb117c516c358481147383291574e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abb9913da7609c25fcc6bd77b39fdc90767eb117c516c358481147383291574e, en de alinea staat in dat document op bytes 22564 tot 23640.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/abb9913da7609c25fcc6bd77b39fdc90767eb117c516c358481147383291574e | shasum -a 256