Citaat | Hoge Raad 3 april 2007

Alinea 32 Hoge Raad 3 april 2007

Een alinea uit Hoge Raad 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8395.

Zoals ik in die brief uiteen heb gezet, werd ik op 13 december 2005 geconfronteerd met het gegeven dat medeverdachte [medeverdachte 1] alsnog bereid bleek te zijn om een verklaring af te leggen over de rol van verdachte in deze zaak. Achteraf gezien had ik daar wellicht beter direct tijdens de zitting op kunnen reageren, maar op dat moment vond ik het beter om rustig na te denken over wat ik hiermee zou doen. Na die zitting heb ik overleg gevoerd met mijn collega's bij het ressortsparket. Indien ik [medeverdachte 1] alsnog ter zitting had willen horen, had dat mogelijk geleid tot een vertraging in het verdere procesverloop. Ik heb er daarom voor gekozen [medeverdachte 1] vóór de terechtzitting op 10 januari 2006 nader door de politie te laten horen. Ik heb de raadsman daarvan in kennis gesteld. Ik heb nadien echter niets meer van hem gehoord.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/65d5b4c801dc4d63b629a1e7050f7d1e18eb92da5949b2dad8c72cddcb44dc17. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 65d5b4c801dc4d63b629a1e7050f7d1e18eb92da5949b2dad8c72cddcb44dc17, en de alinea staat in dat document op bytes 14007 tot 14876.