Citaat | Hoge Raad 24 april 2007
Alinea 50 Hoge Raad 24 april 2007
Een alinea uit Hoge Raad 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0874.
3.6. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring (vgl. HR 26 september 2006, LJN AX5776, NJ 2006, 542).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dc847eb8911f34eb73074502e8c87ad133ddae8beb3a0550047e4902b9514425. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dc847eb8911f34eb73074502e8c87ad133ddae8beb3a0550047e4902b9514425, en de alinea staat in dat document op bytes 16895 tot 17587.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dc847eb8911f34eb73074502e8c87ad133ddae8beb3a0550047e4902b9514425 | shasum -a 256