Citaat | Hoge Raad 20 april 2007

Alinea 26 Hoge Raad 20 april 2007

Een alinea uit Hoge Raad 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0903.

3.4 Het oordeel dat de omstandigheid dat [verzoeker] bij het ontstaan van de schulden aan het CJIB niet te goeder trouw is geweest, op grond van art. 288 lid 2, onder b, F. "aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staat", getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het hof kennelijk van oordeel was, staat immers de omstandigheid dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest, niet reeds op zichzelf genomen aan die toelating in de weg. Het betreft hier een facultatieve afwijzingsgrond, zodat het hof diende te beoordelen of die omstandigheid, bezien in het licht van alle overige omstandigheden van het geval, waaronder het ontstaan en het beloop van de overige schulden, een grond kon opleveren om het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aed34df06135e780a6ba7d5c8bbea3f3ed0c029412126869e722aed9a39741ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aed34df06135e780a6ba7d5c8bbea3f3ed0c029412126869e722aed9a39741ed, en de alinea staat in dat document op bytes 7973 tot 8847.