Citaat | Hoge Raad 19 juni 2007
Alinea 33 Hoge Raad 19 juni 2007
Een alinea uit Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1709.
3.7. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. Nu de verklaring van de verdachte, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven niet alle onderdelen betreft van het bewezenverklaarde - zij houdt immers niet in dat de verdachte erkent dat hij onder zodanige invloed van cannabis heeft gereden dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was - is 's Hofs oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv, onbegrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60a998cd8e4d8e5a65baca60558b2306724888eb289b76bb8cb1097afa3d9f77. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60a998cd8e4d8e5a65baca60558b2306724888eb289b76bb8cb1097afa3d9f77, en de alinea staat in dat document op bytes 10312 tot 11088.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/60a998cd8e4d8e5a65baca60558b2306724888eb289b76bb8cb1097afa3d9f77 | shasum -a 256