Citaat | Hoge Raad 30 maart 2007

Alinea 22 Hoge Raad 30 maart 2007

Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1792.

3.2.3. 's Hofs hiervoor in 3.2.1 vermelde oordelen berusten op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Zij zijn - afgezien van het punt dat door middel I in het incidentele beroep aan de orde wordt gesteld - niet onbegrijpelijk en behoefden geen nadere motivering. Zij worden derhalve door het middel tevergeefs bestreden. Daarbij verdient opmerking dat niet valt in te zien dat de betaling van het bewuste bedrag door belanghebbende slechts dan als (indirecte) betaling aan E zou mogen worden aangemerkt, indien degene aan wie belanghebbende feitelijk heeft betaald een door E beheerste (rechts)persoon is of een (rechts)persoon die geheel voor rekening en risico van E optrad. Dat een zodanige situatie zich voordeed in het geval dat aanleiding gaf tot het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1999, nr. 33948, BNB 1999/173, rechtvaardigt niet de conclusie dat het om een in het algemeen te stellen vereiste gaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/33e2eae9af6fe9a76c7422e539270bc2f7c4f3567c56f7a4a2b484dd511696a0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 33e2eae9af6fe9a76c7422e539270bc2f7c4f3567c56f7a4a2b484dd511696a0, en de alinea staat in dat document op bytes 8903 tot 9856.