Citaat | Hoge Raad 30 maart 2007

Alinea 20 Hoge Raad 30 maart 2007

Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1833.

3.4. Artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet bepaalt dat op verzoek teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend, voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen. In 's Hofs oordeel ligt besloten het oordeel dat belanghebbende op een tijdstip voorafgaande aan het onderwerpelijke tijdvak de vorderingen op J B.V. heeft prijsgegeven. In het geval een vordering wordt prijsgegeven, ontstaat het recht op teruggaaf in het tijdvak waarin het prijsgeven plaatsvindt. Ingevolge artikel 33, lid 1, van de Wet moet het verzoek om teruggaaf worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. 's Hofs bestreden oordeel geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk. Ook indien de creditfactuur van 30 oktober 1998 niet zou voldoen aan de daaraan door de Wet gestelde vereisten, kon het Hof mede op die creditfactuur het oordeel baseren dat belanghebbende de vordering op J B.V op een tijdstip voorafgaande aan het onderwerpelijke tijdvak heeft prijsgegeven. Het middel faalt derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a28ce09ec4d6315f7e7fae028fe44e908bfbaa8d31f6aacde11babc63dc5698. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a28ce09ec4d6315f7e7fae028fe44e908bfbaa8d31f6aacde11babc63dc5698, en de alinea staat in dat document op bytes 9093 tot 10187.