Citaat | Hoge Raad 29 juni 2007
Alinea 88 Hoge Raad 29 juni 2007
Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909.
4.2.1 De Hoge Raad ziet aanleiding hierna eerst onderdeel 4 te behandelen. Dit onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.22 dat aan het door [eiseressen] gedane, op zichzelf al weinig gespecificeerde, bewijsaanbod moet worden voorbijgegaan omdat zij voor het overige geen stellingen heeft geponeerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel omtrent de uitleg van art. 8a zouden kunnen leiden. Het desbetreffende bewijsaanbod hield in dat [eiseressen] aanbood de juistheid van haar stellingen inzake de uitleg van art. 8a te bewijzen door onder meer het horen van getuigen, onder wie vier met name genoemden die betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen die zijn voorafgegaan aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f7f366b7a8c73bc9276eb72a69f66ec917a2d38807e059295719b713036fcf5b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f7f366b7a8c73bc9276eb72a69f66ec917a2d38807e059295719b713036fcf5b, en de alinea staat in dat document op bytes 26097 tot 26859.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f7f366b7a8c73bc9276eb72a69f66ec917a2d38807e059295719b713036fcf5b | shasum -a 256