Citaat | Hoge Raad 11 september 2007

Alinea 83 Hoge Raad 11 september 2007

Een alinea uit Hoge Raad 11 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6316.

Het door en namens de verdachte gevoerde verweer dat van een dergelijk bezit geen sprake is geweest en dat de verdachte geen opzet heeft gehad op dat bezit, wordt derhalve verworpen. Daarbij merkt het hof nog op dat, anders dan door de raadsvrouw is betoogd, de verdachte zich niet slechts schuldig heeft gemaakt aan het bekijken van kinderpornografische afbeeldingen op internet, hetgeen eveneens gepaard gaat met het downloaden van bestanden, maar aan het opslaan van die bestanden op de harde schijf van de computer; door het gebruik van het KaZaA-programma heeft die opslag in beginsel een permanent karakter. Voorts geeft de tekst van artikel 240b Wetboek van Strafrecht noch de wetsgeschiedenis steun aan de opvatting dat voormelde bepaling slechts toepasselijk kan zijn indien de verdachte de kinderpornografische afbeeldingen gedurende een langere tijd in bezit heeft gehouden dan in casu het geval is geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/760f8d5d1f66847545dfdb84c76fb03e21381d94bd8c016eb965b79f09d3a20f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 760f8d5d1f66847545dfdb84c76fb03e21381d94bd8c016eb965b79f09d3a20f, en de alinea staat in dat document op bytes 23315 tot 24246.