Citaat | Hoge Raad 19 oktober 2007

Alinea 74 Hoge Raad 19 oktober 2007

Een alinea uit Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024.

3.4 In de eerste plaats heeft het hof miskend dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof had dus niet mogen volstaan met zijn vaststelling dat het oneigenlijk gebruik als hiervoor in 3.3 vermeld, dat niet was gericht op communicatie met andere telefoonabonnees maar kennelijk uitsluitend op het behalen van financieel gewin ten koste van Vodafone, niet door de tekst van de overeenkomst werd verboden, maar had ook moeten onderzoeken of ETC, mede in verband met de aard en strekking van de overeenkomst, ook zonder dat dit gebruik uitdrukkelijk verboden werd, had behoren te begrijpen dat zij zich daarvan diende te onthouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/85ec600f75f9b6cc2a1ff2369aba31c929f9f81d200541d165f5477b0d4ac8af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 85ec600f75f9b6cc2a1ff2369aba31c929f9f81d200541d165f5477b0d4ac8af, en de alinea staat in dat document op bytes 19172 tot 20237.