Citaat | Hoge Raad 4 december 2007

Alinea 27 Hoge Raad 4 december 2007

Een alinea uit Hoge Raad 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912.

3.4. Het Hof heeft de afwijzing van het verzoek doen steunen op een tweetal gronden. De eerste is ondeugdelijk, omdat 's Hofs vaststelling dat "toen op zijn minst is gepoogd deze stukken aan hem uit te reiken" niet zonder meer meebrengt dat sprake is van uitreiking van die dagvaarding in persoon. Daarbij verdient opmerking dat in art. 588 Sv niet is voorzien in een bepaling die de weigering van de verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van dat stuk in persoon, zoals bijvoorbeeld wel het geval is in art. 385, derde lid, Sv. Bij de tweede grond waarop het Hof de afwijzing heeft doen steunen, heeft het kennelijk het oog op art. 408, eerste lid onder c, Sv. Zijn oordeel dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, is evenwel niet zonder meer begrijpelijk. Dat de "akte" op het politiebureau aan de verdachte is voorgehouden, levert niet zonder meer een dergelijke omstandigheid op. Het Hof heeft de afwijzing van het in het middel bedoelde verzoek dan ook ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d6f67cabc4244a2fa61ecae1a91a2f63d331fde85ee61dd1bb17c9bff68fed5f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d6f67cabc4244a2fa61ecae1a91a2f63d331fde85ee61dd1bb17c9bff68fed5f, en de alinea staat in dat document op bytes 9549 tot 10715.