Citaat | Hoge Raad 12 oktober 2007

Alinea 26 Hoge Raad 12 oktober 2007

Een alinea uit Hoge Raad 12 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7958.

3.1 Het gaat in deze zaak om een verzoek als bedoeld in art. 15b leden 1 en 2 in verbinding met art. 284 F., ingediend op 1 september 2006. Het faillissement van [verzoeker] was bij vonnis van 6 juni 2006 uitgesproken. De rechtbank heeft het verzoek op inhoudelijke gronden afgewezen. Het hof heeft die uitspraak bekrachtigd op de grond dat [verzoeker] wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn, bedoeld in art. 3 lid 1 F. geen verzoekschrift als bedoeld in art. 284 heeft ingediend. Het overwoog daartoe, na bij de rechtbank een afschrift te hebben opgevraagd van de brief als bedoeld in art. 3 lid 1 en te hebben nagevraagd wanneer en op welke wijze die brief aan [verzoeker] was verzonden, dat blijkens aantekening van de griffier van de rechtbank de brief op 16 mei 2006 per aangetekende post, en een week later nogmaals, per gewone post, is verstuurd naar het adres waar [verzoeker] volgens de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven (rov. 2.6). Dat [verzoeker] in overleg met de curator met het indienen van zijn verzoek heeft gewacht, kon hem naar het oordeel van het hof niet baten, gelet op zijn eigen verantwoordelijkheid zich te informeren over en zich te houden aan de wijze waarop en de termijn waarbinnen een verzoek als het onderhavige moet worden ingediend (rov. 2.6).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0fedfa0cfdfb3b3c4c351f2e508357dfa45c65564d51aa82011ce74534d4b833. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0fedfa0cfdfb3b3c4c351f2e508357dfa45c65564d51aa82011ce74534d4b833, en de alinea staat in dat document op bytes 7576 tot 8902.