Citaat | Hoge Raad 18 maart 2008
Alinea 3 Hoge Raad 18 maart 2008
Een alinea uit Hoge Raad 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024.
- De HR stelt het volgende voorop (i) De aanwending van het buitengewone rechtsmiddel van herziening kan slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot heropening van een strafproces dat met een onherroepelijke rechterlijke beslissing was afgerond. De aard van dat rechtsmiddel brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. (ii) Onvoldoende is dat het novum mogelijk zou hebben geleid tot een andere afloop van de strafzaak, i.c. tot vrijspraak van de aanvrager. Art. 457 Sv eist dat door de nieuwe omstandigheid het 'ernstig vermoeden' moet ontstaan dat de rechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien hij destijds met dat novum bekend was geweest. (iii) De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek dan wel het onderzoek ttz. niet volledig is geweest, levert evenmin een grond voor herziening op. Dit is slechts anders indien de in herziening overgelegde gegevens grond geven voor het oordeel dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde indien het daarmee destijds bekend was geweest. E.e.a. geldt ook indien - zoals i.c. - het College van PG’s na het onherroepelijk worden van de veroordeling een "oriënterend vooronderzoek" heeft doen instellen waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport. De stelling dat dit "oriënterend vooronderzoek" onvolledig is geweest en/of dat de onderzoekers onjuiste conclusies hebben getrokken uit hun bevindingen, kan op zichzelf geen grond voor herziening vormen. (iv) Het novum kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan i.h.a. niet als zodanig worden aangemerkt. Het oordeel van een deskundige kan daarom in beginsel slechts dan als een novum gelden indien deze deskundige is uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening wordt gevraagd. Daarbij verdient opmerking dat aan de omstandigheid dat de deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een – van die deskundige afwijkend – oordeel van een andere deskundige. (v) O.g.v. art. 459 Sv moet de herzieningsaanvrage de bewijsmiddelen vermelden waaruit het novum kan blijken. De aanvrager kan dus niet volstaan met het aanvoeren van een novum met het doel dat de HR daarnaar een nader onderzoek zal (doen) verrichten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d, en de alinea staat in dat document op bytes 4489 tot 7084.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d | shasum -a 256