Citaat | Hoge Raad 18 maart 2008
Alinea 5 Hoge Raad 18 maart 2008
Een alinea uit Hoge Raad 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024.
[- Het Hof heeft o.g.v. bevindingen van het NFI geoordeeld dat het DNA van aanvrager dat is aangetroffen op de blouse van het slachtoffer, is overgedragen bij een gewelddadig incident en dat het – gelet op de plaatsen waar het DNA op de blouse is aangetroffen – onwaarschijnlijk is dat het DNA is overgebracht tijdens een zakelijk contact. Mede op grond daarvan heeft het Hof geconcludeerd dat de aangetroffen sporen redelijkerwijs geen andere uitleg toelaten dan dat deze zijn ontstaan bij het plegen van de moord. (i) Dat oordeel wordt door de aanvrager aangevochten met een reeks stellingen die in de kern erop neerkomen dat aanvrager a.d.h.v. nieuwe deskundigenrapporten erop wijst dat alternatieve oorzaken voor de aanwezigheid van sporen van van hem afkomstig celmateriaal op de blouse niet kunnen worden uitgesloten. Het merendeel van de stellingen waarop de aanvrager zich baseert, betreft echter omstandigheden die ook al aan het Hof zijn voorgelegd en die daarom niet nieuw zijn. De aanvrager brengt twijfels naar voren omtrent de door het Hof als vaststaand aangenomen wijze waarop de overdracht van het celmateriaal heeft plaatsgevonden, namelijk tijdens een gewelddadig incident, maar maakt niet aannemelijk dat ’s Hofs oordeel onjuist is. Opmerking verdient dat de aanvrage is gebaseerd op een veelheid van rapporten en stukken van personen en instanties die door aanvrager als ter zake deskundig worden aangemerkt, maar dat zich bij de aanvrage geen enkel rapport bevindt waarin de deskundigen op wier bevindingen inz. het DNA de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, hebben doen blijken van inzicht te zijn veranderd. (ii) De HR neemt voorts in aanmerking dat aanvrager niet betwist dat het gaat om zijn DNA, maar wel dat het Hof het bij het rechte eind had met het oordeel dat het DNA is overgedragen bij een gewelddadig incident. In de herzieningsverzoeken wordt, samengevat, aangevoerd dat en waarom de mogelijkheid dat het DNA bij een zakelijk contact dan wel door contaminatie is overgebracht, geenszins denkbeeldig is. Het Hof heeft die mogelijkheden echter onder ogen gezien en uiteengezet dat en waarom het die heeft verworpen. Al hetgeen in de onderhavige herzieningsprocedure is aangevoerd, levert wat dat betreft geen novum op. (iii) tav de stelling dat het NFI niet volledig en niet onbevooroordeeld heeft gerapporteerd over de hypothesen betreffende de overdracht van het DNA van aanvrager op de blouse, en wordt uiteengezet dat noch het aangevoerde noch de inhoud van de door aanvrager overgelegde stukken van een zodanig gewicht is dat het ernstige vermoeden rijst dat het Hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien het daarmee bekend was geweest. (iv) de kritiek van aanvrager op het op verzoek van het College van PG’s verrichte oriënterend vooronderzoek en het daarvan opgemaakte rapport van 6-6-2006 betreft vooral het onderzoek naar de mogelijkheid dat het s.o. niet door aanvrager maar door X om het leven is gebracht. De door aanvrager geuite kritiek kan echter niet leiden tot inwilliging van de herzieningsaanvrage, aangezien de evt. onvolledigheid van het oriënterend vooronderzoek en/of de mogelijke onjuistheid van de conclusies die de on-derzoekers hebben getrokken uit hun bevindingen, als zodanig geen grond voor herziening vormt. De HR merkt overigens op dat de kritiek niet het ernstige vermoeden kan wekken dat het Hof tot een vrijspraak zou zijn gekomen indien het met de kritiek van de aanvrager bekend zou zijn geweest. Dat geldt ook voor de verklaringen van de getuigen die door de Raadsheer-Commissaris zijn gehoord omtrent de stelling dat X mededelingen aan derden heeft gedaan omtrent het overlijden van het s.o. vòòrdat de politie haar stoffelijk overschot heeft gevonden. (v) dat nieuw onderzoek heeft aangetoond dat op de avond van het misdrijf in het desbetreffende gebied bijzondere atmosferische omstandigheden aanwezig waren die aanleiding hebben gegeven tot buitengewone radiopropagatie die van invloed is geweest op de gebezigde gsm-frequentie en dat op grond daarvan aannemelijk is dat aanvrager zich t.t.v. het door hem om 20.36 uur via zijn mobiele telefoon gevoerde gesprek met het s.o. bevond op de autosnelweg A28 tussen de afslag Harderwijk en ’t Harde, kan niet het ernstige vermoeden doen ontstaan dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken. De ingebrachte stukken zijn niet onverenigbaar met de door het Hof overgenomen verklaring van de deskundige Steens dat propagatie weliswaar tot gevolg kan hebben dat radiogolven zeer grote afstanden overbruggen, maar dat de verstoring door andere stations meebrengt dat een naburig basisstation zal worden gekozen. (vi) mbt de verklaring van aanvrager dat hij omstreeks 21.00 uur is thuisgekomen, heeft het Hof geoordeeld dat die verklaring onvoldoende steun vindt in de verklaringen van zijn echtgenote en van zijn dochter. De juistheid van dat oordeel is niet betwist. ]
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d, en de alinea staat in dat document op bytes 8295 tot 13267.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d | shasum -a 256