Citaat | Hoge Raad 18 maart 2008

Alinea 809 Hoge Raad 18 maart 2008

Een alinea uit Hoge Raad 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024.

17. Wat mij opvalt in de verklaringen van [getuige S.] is dat de dood van [slachtoffer] voor hem indertijd weinig impact had omdat hij haar niet of nauwelijks kende en dat hij pas veel later heeft vernomen dat het stoffelijk overschot pas op 25 september 1999 is aangetroffen. Vrijdag 24 september 1999 was voor [getuige S.] dus niet bijzonder. Waarom juist die vrijdag dan zo in zijn geheugen is gegrift is verwonderlijk. En ook ten aanzien van de latere verklaringen van [getuige S.] geldt dat ik het vreemd vind dat [getuige S.] met de verbalisanten niet gesproken zou hebben over datgene wat hij dan op 24 september 1999 uit de mond van [getuige H.] zou hebben gehoord. Ik heb geen enkele twijfel aan de goede trouw van [getuige S.] en van [getuige H.], maar wel aan de situering in de tijd van het gesprek dat [De J.] met [getuige H.] op de begraafplaats heeft gevoerd en van de daarop volgende mededeling daarover van [getuige H.] aan [getuige S.].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 45944cf835232a237d701db4bb648b098d8238770503dcda3305c37502c5af9d, en de alinea staat in dat document op bytes 282983 tot 283950.