Citaat | Hoge Raad 4 maart 2008

Alinea 49 Hoge Raad 4 maart 2008

Een alinea uit Hoge Raad 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3762.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort en zakelijk weergegeven - zich op het standpunt gesteld dat verdachte in eerste instantie zijn viskraam en zijn vis diende te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding komende van de zijde van [het slachtoffer] en [getuige 1], van wie er één twee vissen uit een krat wegnam, door deze [slachtoffer] te duwen. Subsidiair is gesteld dat verdachte gerechtvaardigd gedwaald heeft, nu hij immers niet gezien heeft dat de aanvankelijk weggenomen vis was teruggelegd. Vervolgens diende hij zichzelf te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] voornoemd die met zijn borst vooruit op de verdachte afkwam tengevolge waarvan verdachte, verkerende in een hevige gemoedstoestand, [slachtoffer] met gebalde vuist tegen het gezicht heeft geslagen. Verdachte zou daarom hebben gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca4e5ac36e2d5a558cd109a23c204b09b511d73823e8f3146eee54f21c193f0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca4e5ac36e2d5a558cd109a23c204b09b511d73823e8f3146eee54f21c193f0f, en de alinea staat in dat document op bytes 15864 tot 16815.