Citaat | Hoge Raad 11 juli 2008
Alinea 116 Hoge Raad 11 juli 2008
Een alinea uit Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8421.
3.6.5 Hierbij wordt aangetekend dat de omschrijving in art. 6 WIV 2002 van de gevallen waarin de bijzondere bevoegdheden mogen worden uitgeoefend, noodzakelijkerwijs ruim moet zijn om met het oog op het doel waarvoor de bevoegdheid is gegeven voldoende effectief te kunnen zijn, terwijl, mede gelet op het in verband met de uitvoering van de WIV 2002 bestaande stelsel van rechtsbescherming, tot welk stelsel ook een beroep op de onafhankelijke rechter behoort (zie daarover hiervoor in 3.4.4), de betrokken wettelijke bepalingen de veiligheidsdiensten geen ongebreidelde macht ("unfettered power") verschaffen of de mogelijkheid bieden van willekeurige inmenging in de rechten of beperking van de vrijheden die hier aan de orde zijn. Daarom kan, ook als in aanmerking wordt genomen dat de bijzondere bevoegdheden in het geheim worden uitgeoefend waarbij het risico van willekeur onmiskenbaar aanwezig is, worden geconcludeerd dat tevens is voldaan aan de in de rechtspraak van het EHRM gestelde eis dat de genoemde bepalingen van de WIV 2002 in overeenstemming zijn met "the rule of law".
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1b6c9c08382b16cf67c352eaf3d91f6fa1a8408fc2662328d2a3844a40a2457c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1b6c9c08382b16cf67c352eaf3d91f6fa1a8408fc2662328d2a3844a40a2457c, en de alinea staat in dat document op bytes 49926 tot 51028.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1b6c9c08382b16cf67c352eaf3d91f6fa1a8408fc2662328d2a3844a40a2457c | shasum -a 256