Citaat | Hoge Raad 15 april 2008
Alinea 38 Hoge Raad 15 april 2008
Een alinea uit Hoge Raad 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9408.
3.6. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring (vgl. HR 26 september 2006, LJN AX5776, NJ 2006, 542).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1d2deba7b8adb0d79aaa3db0a8be8721dec1c1dad7cebc47b52a41ba1737a874. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1d2deba7b8adb0d79aaa3db0a8be8721dec1c1dad7cebc47b52a41ba1737a874, en de alinea staat in dat document op bytes 15332 tot 15994.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1d2deba7b8adb0d79aaa3db0a8be8721dec1c1dad7cebc47b52a41ba1737a874 | shasum -a 256