Citaat | Hoge Raad 9 oktober 2009
Alinea 50 Hoge Raad 9 oktober 2009
Een alinea uit Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC9544.
3.3.7. Derhalve rijst in deze zaak de vraag op basis van welke objectieve gegevens leveranciers als X en E B.V.B.A. respectievelijk F B.V.B.A. op het moment van facturering of van voldoening van de vergoeding dan wel van het doen van aangifte moeten (en kunnen) bepalen of zij gerechtigd zijn de vrijstelling ter zake van een intracommunautaire levering toe te passen. Daarbij moet worden opgemerkt dat een leverancier op het moment van facturering of ontvangst van de vergoeding niet steeds direct al over de bewijzen beschikt dat de goederen naar een andere lidstaat zijn vervoerd en daarover ook niet behoeft te beschikken. Voorts lijkt voor de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 28, quater, A, letter a, van de Zesde richtlijn niet vereist dat de verkoper weet of kan weten naar welke plaats in een andere lidstaat de goederen worden vervoerd of verzonden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bd8c20216c7a353478890c63521b20ed6b42c12839fdf0a4c8758e20a93a9c4d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bd8c20216c7a353478890c63521b20ed6b42c12839fdf0a4c8758e20a93a9c4d, en de alinea staat in dat document op bytes 20645 tot 21534.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bd8c20216c7a353478890c63521b20ed6b42c12839fdf0a4c8758e20a93a9c4d | shasum -a 256