Citaat | Hoge Raad 16 oktober 2009
Alinea 26 Hoge Raad 16 oktober 2009
Een alinea uit Hoge Raad 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0274.
4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op 21 november 1991 of in elk geval op de datum dat de aan D B.V. verleende surseance van betaling overging in een faillietverklaring heeft aangenomen, en ook redelijkerwijs moest worden aangenomen, dat voldoening van de vergoeding op de facturen door D B.V. achterwege zou blijven, zodat het verzoek om teruggaaf op de voet van artikel 33, lid 1, van de Wet in de aangifte over november 1991 dan wel in die over januari 1992 had moeten worden vermeld. Aangezien het verzoek om teruggaaf eerst op 22 februari 2000 bij de Inspecteur is ingediend, is dit verzoek mitsdien niet tijdig gedaan. Naar het oordeel van het Hof zou hetzelfde hebben te gelden indien zou worden uitgegaan van de door partijen genoemde latere data waarop de oninbaarheid van de vordering als vaststaand zou moeten worden aangenomen, zijnde medio 1993, 6 januari 1997 dan wel 10 februari 1999, aldus het Hof. Tegen de hiervoor vermelde oordelen richt zich het vierde middel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/52c030d97a532bbc5bf3c147076edf996d201202cf4cf2c00d6a7943332f4d94. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 52c030d97a532bbc5bf3c147076edf996d201202cf4cf2c00d6a7943332f4d94, en de alinea staat in dat document op bytes 9657 tot 10664.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/52c030d97a532bbc5bf3c147076edf996d201202cf4cf2c00d6a7943332f4d94 | shasum -a 256