Citaat | Hoge Raad 21 mei 2010
Alinea 28 Hoge Raad 21 mei 2010
Een alinea uit Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375.
Gelet op artikel 26, lid 2, AWR moet de mogelijkheid van het ontvankelijk zijn van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar ook worden aanvaard ingeval het betreft een bezwaar tegen de voldoening op aangifte. De in die bepaling bedoelde overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb brengt mee - de aard van de belastingheffing bij wege van voldoening op aangifte verzet zich niet daartegen - dat niet-ontvankelijkverklaring wegens de voortijdige indiening van het bezwaarschrift achterwege moet blijven indien het bezwaarschrift is ingediend op of na het moment waarop de aangifte is ingediend en/of de opdracht tot betaling van het bedrag waartegen bezwaar wordt gemaakt, is verstrekt. Aan te nemen valt dat de indiener van het bezwaarschrift zich dan van het voorwerp van bezwaar een vastomlijnde voorstelling heeft gevormd. Mocht vervolgens de voldoening van het desbetreffende bedrag op (de) aangifte toch achterwege blijven, dan is het aan de inspecteur vast te stellen dat het bezwaar zonder voorwerp is en kan om die reden het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/87f76fff1288882f62012e692dc3593888a8b6270e22569ff1e5985f294f29f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 87f76fff1288882f62012e692dc3593888a8b6270e22569ff1e5985f294f29f3, en de alinea staat in dat document op bytes 11216 tot 12320.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/87f76fff1288882f62012e692dc3593888a8b6270e22569ff1e5985f294f29f3 | shasum -a 256