Citaat | Hoge Raad 12 januari 2010
Alinea 36 Hoge Raad 12 januari 2010
Een alinea uit Hoge Raad 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2091.
2.6. In het onderhavige geval heeft de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een postbusnummer in Nederland opgegeven. Daarmee heeft de verdachte gebruik gemaakt van de gelegenheid als bedoeld in art. 588a, eerste lid, Sv om een adres op te geven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden gezonden. Nu de stukken overigens niets inhouden omtrent toezending van een afschrift van de dagvaarding aan het door de verdachte opgegeven postbusnummer, moet worden aangenomen dat het Hof zijn kennelijke oordeel dat aan het vereiste van (tijdige) toezending van de appèldagvaarding aan dat postbusnummer is voldaan uitsluitend heeft gebaseerd op de hiervoor onder 2.2 sub iv vermelde handgeschreven, niet door de griffier geparafeerde aantekening op een kopie van de dagvaarding. Gelet op het met het aanwezigheidsrecht gemoeide belang vormt een dergelijke aantekening onvoldoende grond om aan te nemen dat die toezending daadwerkelijk heeft plaatsgehad. Daarom had het Hof dienen te onderzoeken of ook daadwerkelijk een afschrift aan het postbusnummer was gezonden. Nu van een zodanig onderzoek niet blijkt, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c87f95545781cb7cc0302a5721013bca9b92dee02448d19998cc98202feacf4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c87f95545781cb7cc0302a5721013bca9b92dee02448d19998cc98202feacf4a, en de alinea staat in dat document op bytes 12028 tot 13260.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c87f95545781cb7cc0302a5721013bca9b92dee02448d19998cc98202feacf4a | shasum -a 256