Citaat | Hoge Raad 29 juni 2010

Alinea 40 Hoge Raad 29 juni 2010

Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493.

Voor wat betreft het mes heeft te gelden dat zij enerzijds verklaart dat het mes er steeds was en anderzijds verklaart zij dat ze het mes niet continue heeft gezien. Ze weet ook niet waar het mes plotseling vandaan kwam, het was er kennelijk opeens. Ze weet ook niet meer in welke hand cliënt het mes zou hebben gehouden. Was het mes eerst nog 15 cm lang, bij de rechter-commissaris is het mes opeens 10 cm langer. Ze weet bij de rechter-commissaris ook niet meer wat cliënt zou hebben gezegd toen hij het mes tegen haar aandrukte. De frase 'als ik hem er heel langzaam insteek...' enzovoorts is kennelijk voor tweeërlei uitleg vatbaar. Zo stelt [betrokkene 1] dat aangeefster hem zou hebben verteld dat cliënt voor het zoenen zou hebben gezegd "als ik het langzaam doe dan is het minder erg" (zie rc-verklaring). Dus ziet het steken nu op het steken met een mes of het steken van een tong in iemands mond? Aangeefster zelf weet het bij de rechter-commissaris niet meer, maar als haar wordt voorgehouden wat zij hierover bij de politie heeft verklaard, stelt zij; "dat klopt wel ongeveer". Ik verwacht niet dat een getuige drie maanden later exact kan reproduceren hetgeen zij eerder heeft verklaard, maar 'het klopt wel zo ongeveer' is mij veel te vaag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ace2edb7d564914dea828c4873d5c01b3dcf9f05f92bb35e9f4d331383381ee2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ace2edb7d564914dea828c4873d5c01b3dcf9f05f92bb35e9f4d331383381ee2, en de alinea staat in dat document op bytes 14777 tot 16048.