Citaat | Hoge Raad 29 juni 2010
Alinea 48 Hoge Raad 29 juni 2010
Een alinea uit Hoge Raad 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493.
De ontuchtige handelingen (feit 2) zouden hebben bestaan uit het strelen van, en het knijpen in de borsten van de aangeefster en het leggen van haar hand op het geslachtsdeel van mijn cliënt. Na het zoenen zou cliënt onder haar vest, maar boven haar shirt haar borsten hebben betast (pg. 26). Aangeefster verklaart zulks ook bij de rechter-commissaris alhoewel ze dan niet meer weet of zij onder of boven haar kleding werd betast. Opmerkelijk gegeven is dat zij bij de rechter-commissaris niet meer weet of zij zelf aan de man heeft gezeten. Voorzitter, haar verklaring bij de rechter-commissaris wordt 3 maanden na het beweerdelijke voorval afgelegd en ik kan mij bijzonder moeilijk voorstellen dat dit soort essentiële handelingen binnen een dergelijk relatief kort tijdsbestek worden vergeten. In haar slachtofferverklaring vermeldt zij immers nog dat er geen dag voorbij gaat zonder dat zij aan dit voorval moet denken. Bij de rechter-commissaris moet zij er echter aan herinnerd worden wat zij hierover heeft verklaard, waarna het enkel nog een kwestie van bevestigen is (want waarom zou zij haar eigen verklaring ontkennen?!). Ik meen dat haar verklaringen op dit punt niet consistent zijn. We kunnen wel te raden gaan bij de verklaringen van haar klasgenoot en haar moeder, maar die verklaringen zijn zeer algemeen en zien niet op bovengenoemde specifieke handelingen. Objectief steunbewijs, dat niet uit de bron van [aangeefster] komt, ontbreekt. Ik verwijs u naar een uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 oktober 2005 (LJN: AU3810), waar een verdachte van ontucht werd vrijgesproken omdat een aangifte, ondersteund door enkel de-auditu-verklaringen, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleverde. Ik verwijs u voorts naar een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 augustus jongstleden (LJN: BB2405) waarin een verdachte werd vrijgesproken van ontucht omdat het bewijs bestond uit twee verklaringen van de aangever zelf en uit de-auditu-verklaringen van zijn moeder en zijn zus, die op zichzelf onvoldoende bijdroegen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit, nu die informatie uit dezelfde bron kwam, namelijk de aangever. Ik meen dat een bewezenverklaring van ontucht op dit punt zou moeten stranden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ace2edb7d564914dea828c4873d5c01b3dcf9f05f92bb35e9f4d331383381ee2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ace2edb7d564914dea828c4873d5c01b3dcf9f05f92bb35e9f4d331383381ee2, en de alinea staat in dat document op bytes 19075 tot 21322.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ace2edb7d564914dea828c4873d5c01b3dcf9f05f92bb35e9f4d331383381ee2 | shasum -a 256