Citaat | Hoge Raad 28 juni 2011
Alinea 30 Hoge Raad 28 juni 2011
Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704.
b. Art. IV lid 3 beoogt middelen te weren die neerkomen op klachten over het ontbreken van processtukken. Art. IV lid 3 staat dus niet in de weg aan de indiening van een middel waarin wordt geklaagd over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, terwijl de gegrondheid van deze klacht niet kan worden onderzocht wegens het ontbreken van het daarvoor relevante processtuk in het op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden procesdossier. In zo een geval zal de Hoge Raad of zijn Parket trachten alsnog de beschikking te krijgen over het ontbrekende stuk. Als dit niet tot resultaat leidt, is de Hoge Raad niet in staat de klacht te onderzoeken en kan dit leiden tot gegrondverklaring van het middel (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BJ8676). Ingeval het ontbrekende processtuk alsnog ter beschikking komt, zal de Hoge Raad mede aan de hand van dat stuk de gegrondheid van het middel onderzoeken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5461c2f8e87babb2a6cb79bb667d01f7ea101b9c324d5425809aab36f0adf2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5461c2f8e87babb2a6cb79bb667d01f7ea101b9c324d5425809aab36f0adf2d, en de alinea staat in dat document op bytes 13099 tot 14138.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e5461c2f8e87babb2a6cb79bb667d01f7ea101b9c324d5425809aab36f0adf2d | shasum -a 256