Citaat | Hoge Raad 25 februari 2011
Alinea 145 Hoge Raad 25 februari 2011
Een alinea uit Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067.
3.6 Art. 2:349a lid 2 BW bepaalt dat de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van een enquĂȘteverzoek een onmiddellijke voorziening kan treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, dient een terughoudend gebruik te worden gemaakt, onder meer omdat in dat stadium nog slechts voorlopig kan worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen, en of te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van een eventueel in te stellen onderzoek, het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW gerechtvaardigd zal zijn; in het stadium voordat een onderzoek is gelast, zal daarom van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen slechts gebruik kunnen worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan (HR 14 december 2007, LJN BB3523, NJ 2008/105, (DSM)).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/56fe5a6374c6326109458614486cefd1a8fc440b21723962797170d8e6b8b2aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 56fe5a6374c6326109458614486cefd1a8fc440b21723962797170d8e6b8b2aa, en de alinea staat in dat document op bytes 45986 tot 47052.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/56fe5a6374c6326109458614486cefd1a8fc440b21723962797170d8e6b8b2aa | shasum -a 256