Citaat | Hoge Raad 11 maart 2011

Alinea 41 Hoge Raad 11 maart 2011

Een alinea uit Hoge Raad 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9630.

3.4 Onderdeel 2.1 van het cassatiemiddel, het eerste onderdeel heeft een inleidend karakter en bevat geen klachten, komt tegen deze en de daarop volgende rechtsoverwegingen op met rechts- en motiveringsklachten. Het onderdeel neemt tot uitgangspunt dat het feit dat de wetgever geen rechtsgang heeft gecreëerd, alsmede het feit dat de minister een ruime beleidsvrijheid heeft, nog niet (automatisch) meebrengt dat de burgerlijke rechter het besluit van de minister (slechts) marginaal mag toetsen. Immers, aldus het onderdeel, art. 6 EVRM garandeert tenminste één volwaardige instantie. Wanneer de wetgever daarin niet heeft voorzien, treedt de burgerlijke rechter op als restrechter en alsdan dient de rechter de vraag of het verzoek van [eiser] terecht is geweigerd, (vol) te toetsen aan alle omstandigheden van het geval. Subsidiair betoogt het onderdeel dat de burgerlijke rechter, als restrechter, nu geen met waarborgen omklede administratieve rechtsgang is opengesteld, minimaal die (toetsings)bevoegdheden dient te hebben welke hij zou hebben gehad, indien er wel een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ware geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d5e29310962904af903d620d80769d53f5a7dd7a4d89bcd9e7585191c845dd66. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d5e29310962904af903d620d80769d53f5a7dd7a4d89bcd9e7585191c845dd66, en de alinea staat in dat document op bytes 10904 tot 12053.