Citaat | Hoge Raad 20 december 2011

Alinea 104 Hoge Raad 20 december 2011

Een alinea uit Hoge Raad 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0199.

2.8. Ook de tweede klacht faalt. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte reeds voorafgaand aan het moment waarop de medewerker van [A] op 9 april 2008 telefonisch contact opnam met de persoon die zich uitgaf voor [verdachte] van de firma [B] het opzet had op het kopen van paracetamol en cafeïne en dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het optreden van [A] is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte of diens medeverdachte deze stoffen in ongeveer dezelfde hoeveelheden eerder uit eigen beweging bij [A] hadden besteld en gekocht, en de medeverdachte op 1 april 2008 opnieuw heeft getracht deze stoffen te bestellen en, na op 9 april 2008 door een medewerker van [A] te zijn gevraagd of hij nog belangstelling had, deze medeverdachte op 10 april 2008 heeft teruggebeld. Het zogenoemde Tallon-criterium is derhalve niet geschonden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3a1e4cbfcfc2b911211a0c4aa9392bfb35ece6d7968a9a6cd6ac3adba043ee59. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3a1e4cbfcfc2b911211a0c4aa9392bfb35ece6d7968a9a6cd6ac3adba043ee59, en de alinea staat in dat document op bytes 35214 tot 36339.