Citaat | Hoge Raad 14 juni 2011
Alinea 104 Hoge Raad 14 juni 2011
Een alinea uit Hoge Raad 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287.
Naar het oordeel van het hof is het duidelijk (er is ter zake ook geen verweer gevoerd) dat is voldaan aan de voorwaarden onder a) en b). Immers is de beperking voorzien bij artikel 261 Sr, en dient zij - voor zover hier relevant - ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen, waaronder het eveneens in het EVRM (artikel 6) verankerde vermoeden van onschuld (Europese Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) 17 december 2004, Pedersen en Baadsgaard tegen Denemarken, rechtsoverweging 78). De voorliggende vraag is daarom of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7cbf8a5687eaa21f7b972a12d2f6a73e1ef963c00f37b25231b307802f546c01. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7cbf8a5687eaa21f7b972a12d2f6a73e1ef963c00f37b25231b307802f546c01, en de alinea staat in dat document op bytes 39562 tot 40184.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7cbf8a5687eaa21f7b972a12d2f6a73e1ef963c00f37b25231b307802f546c01 | shasum -a 256