Citaat | Hoge Raad 18 maart 2011

Alinea 68 Hoge Raad 18 maart 2011

Een alinea uit Hoge Raad 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571.

Dat naar het oordeel van het hof van enige onredelijke vertraging van het geding sprake zou zijn, kan dan ook niet worden aangenomen zodat het belang bij een doeltreffende en voortvarende procedure tegenover het belang van [eiser] bij het houden van het getuigenverhoor geen doorslaggevend gewicht in de schaal kan hebben geworpen. Dit wordt niet anders in het licht van de door de rolraadsheer in rov. 2.10 van zijn beslissing in aanmerking genomen omstandigheid dat bij het tussenarrest van 23 juni 2009 een datum voor het verhoor was bepaald en [eiser] een termijn was gesteld voor het eventueel verzoeken van een nieuwe datum onder opgave van verhinderdata in de maanden oktober en november 2009 (zie hiervoor in 3.2), en dat [eiser] ook die termijn al had overschreden. Immers, in de brief van 8 september 2009 was in overeenstemming met de in het tussenarrest geboden alternatieven (een datum in oktober of november 2009) het verhoor bepaald op uiterlijk 29 oktober 2009, terwijl bovendien uit het bericht van 16 september 2009 bleek dat het verhoor op die datum doorgang kon vinden. De geringe termijnoverschrijding heeft dus ten opzichte van het reeds in het tussenarrest (als alternatief) beoogde tijdschema geen verdere vertraging veroorzaakt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/20da8ec036f52b6de5eaa83ec88fc5632b285776be9f18aa9f144c8ad4d58eba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 20da8ec036f52b6de5eaa83ec88fc5632b285776be9f18aa9f144c8ad4d58eba, en de alinea staat in dat document op bytes 23514 tot 24781.