Citaat | Hoge Raad 1 april 2011

Alinea 66 Hoge Raad 1 april 2011

Een alinea uit Hoge Raad 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3048.

3.4.1 Het hiertegen aangevoerde middel stelt de vraag aan de orde of, wanneer de rechter van een lidstaat besloten heeft tot het horen van een in een andere lidstaat woonachtige getuige, de EG-Bewijsverordening de rechter verplicht tot het volgen van een van beide in de verordening voorziene wijzen van bewijsverkrijging in een andere lidstaat, te weten hetzij de indirecte methode op de voet van art. 10 en volgende van de verordening, hetzij de rechtstreekse methode voorzien in art. 17. In andere woorden gaat het om de vraag of de verordening dwingende of exclusieve werking heeft, dan wel een faciliterende functie vervult doordat zij de rechter de bevoegdheid verleent om hetzij de weg van de verordening te volgen hetzij de in het nationale procesrecht voorziene mogelijkheden tot bewijsverkrijging. Veelal zal de rechter de voorkeur eraan geven dat het verhoor van een getuige voor hem en in zijn gerecht plaatsheeft en daarom bepalen dat de getuige voor hem dient te verschijnen, ook indien (hem bekend is dat) de getuige in het buitenland woonachtig is. Ook de partijen in het geding zullen aan een verhoor in de lidstaat van de rechter die het geschil moet beslissen veelal de voorkeur geven. In het onderhavige geval gaat het echter om een voorlopig getuigenverhoor van personen die in de bodemprocedure partij zijn, en die aanvoeren dat een verhoor voor de Nederlandse rechter het gevaar meebrengt dat misverstanden zullen rijzen bij de getuigen of de rechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895, en de alinea staat in dat document op bytes 17549 tot 19037.