Citaat | Hoge Raad 1 april 2011
Alinea 69 Hoge Raad 1 april 2011
Een alinea uit Hoge Raad 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3048.
3.4.4 Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat de tekst en de considerans van de verordening niet nopen tot de opvatting dat de in de verordening voorziene methoden van bewijsverkrijging exclusief en dwingend zijn voorgeschreven. Veeleer kan uit het in punt 2 van de considerans verwoorde doel van de verordening om "ter wille van de goede werking van de interne markt de samenwerking tussen de gerechten op het gebied van de bewijsverkrijging te verbeteren en in het bijzonder te vereenvoudigen en te bespoedigen", in samenhang met de in punt 5 van de considerans neergelegde overweging dat de verordening niet verder gaat dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken, worden afgeleid dat de verordening slechts een faciliterende functie vervult, en de lidstaten niet ertoe verplicht de in het nationale procesrecht voorziene wijzen van bewijsverkrijging te wijzigen. De verordening verzet zich daarom niet tegen aanvaarding van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter een in een andere lidstaat woonachtige getuige op te roepen voor hem te verschijnen, en de verordening verzet zich evenmin ertegen dat de rechter aan het niet-verschijnen van de getuige de in zijn nationale procesrecht voorziene consequenties verbindt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895, en de alinea staat in dat document op bytes 20171 tot 21425.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895 | shasum -a 256