Citaat | Hoge Raad 1 april 2011

Alinea 70 Hoge Raad 1 april 2011

Een alinea uit Hoge Raad 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3048.

3.4.5 Voorts is van belang dat destijds mede is overgegaan tot het opstellen van de EG-Bewijsverordening omdat toen slechts elf lidstaten van de EU partij waren bij het op 18 maart 1970 te 's-Gravenhage opgestelde Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken (hierna: het Bewijsverdrag), en dat vervolgens in de verordening, die voor de lidstaten die partij waren bij het Bewijsverdrag daarvoor in de plaats zou treden, veel is overgenomen uit het Bewijsverdrag. Ten tijde van het opstellen van de verordening bestond met betrekking tot het Bewijsverdrag reeds het verschil van opvatting over het antwoord op de vraag of het verdrag exclusieve werking heeft, welke vraag ontkennend was beantwoord door het Supreme Court van de Verenigde Staten in zijn uitspraak van 15 juni 1987 inzake Aerospatiale (ILM 1987, p. 1021-1045). Dat de opstellers van de verordening in de tekst en de considerans geen standpunt hebben ingenomen in deze bekende controverse vormt een aanwijzing dat de lidstaten het niet erover eens zijn geworden dat de regeling van de verordening exclusieve werking diende te hebben met een dienovereenkomstige beperking van de werking van het nationale procesrecht van de lidstaten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 035bf4e51ab5904d3426264886a6eddaab8d6ef4e4f1f7841068cd3c6f423895, en de alinea staat in dat document op bytes 21445 tot 22703.