Citaat | Hoge Raad 5 april 2011

Alinea 107 Hoge Raad 5 april 2011

Een alinea uit Hoge Raad 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391.

"Ik mag [J] te [plaats D] vertegenwoordigen omdat ik het commerciële werk doe. Wij zijn gebeld door [C] met de vraag of wij appels konden leveren. Wij hadden contact met [medeverdachte 1], die zich voor directeur uitgaf, en zijn rechterhand [betrokkene 3], die ik regelmatig aan de veiling in Geldermalsen zag. Wij hebben 14 keer goederen geleverd aan [B]. De goederen werden altijd gehaald. In november 1998 zijn we begonnen met leveren. De betalingen liepen toen goed. In januari 1999 zijn we gestopt met leveren. Ik belde met [medeverdachte 1] over de betalingsachterstanden. [Medeverdachte 1] probeerde me gerust te stellen en zei eerst dat het geld wel kwam. Later was hij telefonisch niet meer te bereiken."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ec6bfb600ea49bcd9a350e9567105ef88f22bc8a25ce00d18c9b792506208b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ec6bfb600ea49bcd9a350e9567105ef88f22bc8a25ce00d18c9b792506208b8, en de alinea staat in dat document op bytes 21870 tot 22597.