Citaat | Hoge Raad 5 april 2011

Alinea 125 Hoge Raad 5 april 2011

Een alinea uit Hoge Raad 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391.

Ik heb ook een paar keer telefonisch met [verdachte] gesproken. Op 29 maart 1999 ben ik met mijn echtgenote naar Nijmegen gereden om geld te ontvangen. [Verdachte] met wie wij tevoren een telefonische afspraak hadden gemaakt, ontving ons toen. [Verdachte] zei ons dat er geen enkel probleem was. Hij zei zelfs dat hij op zijn leeftijd geen interesse had om failliet te gaan en dat hij toch in Duitsland elke week cash ging ontvangen. We hebben vier keer aan [B] geleverd. [Verdachte] liet op 29 maart 1999 een cheque van € 27.608,64 uitschrijven door de vrouw op het kantoor. [Verdachte] heeft die vervolgens getekend. Nadat ik de cheque had aangeboden aan mijn bank is het bedrag na twee weken weer afgeschreven. Toen heb ik deze maffioso nog proberen te bereiken, maar tevergeefs. Er is nooit iets door [C] betaald."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ec6bfb600ea49bcd9a350e9567105ef88f22bc8a25ce00d18c9b792506208b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ec6bfb600ea49bcd9a350e9567105ef88f22bc8a25ce00d18c9b792506208b8, en de alinea staat in dat document op bytes 27764 tot 28597.