Citaat | Hoge Raad 5 april 2011

Alinea 168 Hoge Raad 5 april 2011

Een alinea uit Hoge Raad 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391.

"Mijn kantoor heeft de loonadministratie voor [A] B.V. gevoerd. U vraagt mij wie, voor zover ik kon beoordelen, het voor het zeggen had binnen [B]. Dat was [verdachte]. Hij was degene namens [B] die de gesprekken met mij voerde. Als het ging om belangrijke vragen van boekhoudkundige aard die de vrouw, genaamd [betrokkene 1] en die de administratie deed, niet kon beantwoorden, ging de vraag naar [verdachte]. Als er vanuit [B] buiten administratieve aangelegenheden met ons contact werd opgenomen, gebeurde dat door [verdachte]. Ik denk dan aan onderwerpen als betalingsgedrag en de staking van werkzaamheden door ons in verband met achterstallige betalingen en in verband met ontbrekende stukken. De achtemaam van "[medeverdachte 1]", de Turkse man die de bedrijfsleider was, ken ik niet."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ec6bfb600ea49bcd9a350e9567105ef88f22bc8a25ce00d18c9b792506208b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ec6bfb600ea49bcd9a350e9567105ef88f22bc8a25ce00d18c9b792506208b8, en de alinea staat in dat document op bytes 36264 tot 37069.