Citaat | Hoge Raad 12 juli 2011

Alinea 110 Hoge Raad 12 juli 2011

Een alinea uit Hoge Raad 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4650.

Het hof overweegt, dat op grond van het voorgaande emstige bedenkingen bestaan bij de hiervoor omschreven handelwijze van [verdachte] - voor welke handelwijze hij ook geen bevredigende verklaring heeft kunnen of willen geven - en dat het vermoeden dat gedurende de ontmoeting tussen [verdachte] en [medeverdachte] informatie uit het - deels gefingeerde - proces-verbaal is overgedragen, gerechtvaardigd is. Nu echter, door het uitsluiten van het bewijs van de met een technisch hulpmiddel opgenomen vertrouwelijke communicatie, niet kan worden vastgesteld wat er tussen [verdachte] en [medeverdachte] is besproken en nu ook niet op een andere wijze is komen vast te staan dat [medeverdachte] de betreffende informatie heeft ontvangen, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat daadwerkelijk vertrouwelijke informatie is overgedragen. Het hof overweegt daarbij nog dat, voor zover uit het verhoor van [medeverdachte] van 20 januari 2006 zou kunnen worden afgeleid dat hij de betreffende informatie van [verdachte] had ontvangen, geoordeeld moet worden dat dit deel van zijn verklaring voortvloeit uit de hem voorgehouden opname van de - van het bewijs uitgesloten - vertrouwelijke communicatie. Het hof zal derhalve ook dit deel van de verklaring van [medeverdachte] niet gebruiken voor het bewijs.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4b9b2ceed8c15601a4469990742e095701984a889db1c9a02968a9c4ba21c07f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4b9b2ceed8c15601a4469990742e095701984a889db1c9a02968a9c4ba21c07f, en de alinea staat in dat document op bytes 35637 tot 36956.