Citaat | Hoge Raad 31 mei 2011

Alinea 57 Hoge Raad 31 mei 2011

Een alinea uit Hoge Raad 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1978.

2.5. Met zijn onder 2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het vorderen van inzage van het legitimatiebewijs van de verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak als bedoeld in art. 8a, eerste lid, Politiewet 1993. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de ambtenaren van politie de opdracht hadden gekregen extra controle uit te voeren op de voertuigen op de snelwegen langs, en de toe- en afritten vanuit en naar Hendrik-Ido-Ambacht in verband met het terugdringen van het toenemende aantal inbraken in die gemeente, dat de verdachte zich in de bewuste nacht om 05.05 uur bevond in een voertuig op een afgelegen plaats in de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, te weten een tankstation aldaar, dat zich in dat voertuig twee andere personen bevonden die antecedenten bleken te hebben ter zake van diefstal/inbraak en dat de bestuurder de politie had medegedeeld dat hij eerder was aangehouden omdat hij een breekijzer bij zich had.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bf71f95ab97bbe47047cfa0c0438ebaeaeab88e4d094cf69c4c5d537f345db9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bf71f95ab97bbe47047cfa0c0438ebaeaeab88e4d094cf69c4c5d537f345db9, en de alinea staat in dat document op bytes 17123 tot 18229.