Citaat | Hoge Raad 6 maart 2012

Alinea 142 Hoge Raad 6 maart 2012

Een alinea uit Hoge Raad 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458.

Ik had de broers van [medeverdachte 1], te weten [medeverdachte 2] en [verdachte] wel eerder gezien. Ik wist dat het drie broers waren. Ik had ze gezien in de hennepplantage aan de [a-straat] te Lelystad. Ik heb de broers ongeveer 5 tot 10 maal gezien. (...) De jongste broer zat op school en deed aan bodybuilding. [Medeverdachte 2] heeft een keer tegen mij gezegd dat hijzelf in de autoschade werkte. (...) Ik zou de broers zo uit een groep kunnen pikken. (...) Als u mij vraagt wie [medeverdachte 1] is, dan zie ik zijn gezicht voor mij. Ik zie [verdachte]s en [medeverdachte 2]s gezicht ook duidelijk voor me. Ik denk in plaatjes. Ik kende de broers toen goed genoeg om hen van elkaar en van eventuele vrienden van [medeverdachte 1] te kunnen onderscheiden."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/da1df7dac4fbdca1e43cf113377ed41b809e5dbd90ae136e1064f63e122166c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt da1df7dac4fbdca1e43cf113377ed41b809e5dbd90ae136e1064f63e122166c9, en de alinea staat in dat document op bytes 42220 tot 42995.