Citaat | Hoge Raad 20 maart 2012

Alinea 30 Hoge Raad 20 maart 2012

Een alinea uit Hoge Raad 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6468.

Op 19 juli 2008 trof ik [slachtoffer] aan in coffeeshop [B] te Den Haag. We hadden een betalingsgeschil. Ik heb een vuurwapen dat op zolder in een boxzak zat verstopt, gepakt. Ik wilde dit wapen tegenover [slachtoffer] gebruiken als "overtuigingsmiddel". Nadat ik het wapen op zolder had gepakt en in mijn buideltas had gedaan, ben ik met het wapen en met het geld weer teruggereden naar de [B] in Den Haag op zoek naar [slachtoffer]. Aldaar aangekomen zag ik de scooter van [slachtoffer] niet staan. Ik ben toen naar coffeeshop [A] gegaan omdat ik vermoedde dat [slachtoffer] zich daar mogelijk bevond, hetgeen juist bleek te zijn. Ik heb op 19 juli 2008 in coffeeshop [A], gevestigd aan de [a-straat] te Den Haag, [slachtoffer] neergeschoten met een vuurwapen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/893dd57fdcde2f60123f8a326dad2641a7a741a55ca66e357c2cfb69c70e6b26. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 893dd57fdcde2f60123f8a326dad2641a7a741a55ca66e357c2cfb69c70e6b26, en de alinea staat in dat document op bytes 9439 tot 10214.