Citaat | Hoge Raad 30 maart 2012
Alinea 45 Hoge Raad 30 maart 2012
Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160.
3.1.6 Vervolgens heeft het hof in dit arrest, in het kader van, naar het overweegt, de devolutieve werking van het hoger beroep, onderzocht of de rechtbank terecht heeft beslist dat [verweerder] c.s. moeten bewijzen dat zij de brief van 21 december 1992 met [eiseres] hebben besproken. Volgens het hof is dat niet het geval. De bewijslast met betrekking tot het toerekenbaar tekortschieten door [verweerder] c.s. rust in beginsel bij [eiseres] en er is geen reden voor een andere bewijslastverdeling. De rechtbank heeft [verweerder] c.s. derhalve ten onrechte met het bewijs van de hiervoor in 3.1.2 genoemde feiten en omstandigheden belast, aldus het hof (rov. 12 t/m 14).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d19adcc39d47afa173a4710e4e306c8959ff8ee44e95bba1db40c97e32b2a14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d19adcc39d47afa173a4710e4e306c8959ff8ee44e95bba1db40c97e32b2a14, en de alinea staat in dat document op bytes 14688 tot 15374.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7d19adcc39d47afa173a4710e4e306c8959ff8ee44e95bba1db40c97e32b2a14 | shasum -a 256