Citaat | Hoge Raad 2 maart 2012
Alinea 39 Hoge Raad 2 maart 2012
Een alinea uit Hoge Raad 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5607.
Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken dienden verzoekers ervoor te zorgen dat het door hen verschuldigde griffierecht binnen vier weken na het indienen van het verzoekschrift tot cassatie zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad, dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 16 mei 2011. Verzoekers hebben het griffierecht echter op 17 mei 2011 voldaan. Dat brengt mee dat zij op grond van het bepaalde in art. 427b lid 2 Rv. in verbinding met art. 282a lid 2 Rv. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun beroep.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff87efe5591ca1c0f9b88f30a69deef9a2d9e6162156fdac5bf4a35a7162d59. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff87efe5591ca1c0f9b88f30a69deef9a2d9e6162156fdac5bf4a35a7162d59, en de alinea staat in dat document op bytes 7379 tot 7982.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dff87efe5591ca1c0f9b88f30a69deef9a2d9e6162156fdac5bf4a35a7162d59 | shasum -a 256