Citaat | Hoge Raad 7 februari 2012

Alinea 66 Hoge Raad 7 februari 2012

Een alinea uit Hoge Raad 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6784.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376). Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3989a46c6d326d3b4e3d1c2481945ba159d3772fec38c6dd18481c87d9c34956. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3989a46c6d326d3b4e3d1c2481945ba159d3772fec38c6dd18481c87d9c34956, en de alinea staat in dat document op bytes 32551 tot 33478.